Hoop is dichtbij!
Lucas gooide het boek dicht. Het lukte niet. Hij had al
drie keer hetzelfde hoofdstuk gelezen zonder dat er ook maar één gedachte was
blijven hangen. En dan die paper… De deadline kwam steeds dichterbij, alsof
iemand onzichtbaar de klok vooruit zette. Hij staarde naar zijn bureau. Daar lag een notitie blaadje met taken voor het werk. Misschien was het gewoon de stress van de afgelopen
weken. De drukte op het werk, de verwachtingen, de tentamenstof waar hij maar niet doorheen
kwam. Maar diep vanbinnen wist hij wel beter. Er knaagde iets dat niet op te
lossen was met een goede planning of een extra kop koffie. Het was die twijfel.
Die stomme, hardnekkige twijfel die de laatste weken steeds vaker opdook. Hij
had Theologie gekozen omdat het voelde alsof het een richting was die bij hem
hoorde. Hij voelde zich geroepen. Maar steeds vaker vroeg hij zich af of hij
zichzelf niet gewoon iets had wijsgemaakt. Een roeping klonk prachtig in
theorie, maar in de praktijk voelde het op dit moment vooral als zoeken zonder
kompas. Sommigen zeiden dat het een kwestie was van vertrouwen. Van luisteren. Alsof
de hemel zich spontaan meldde met een briefje wanneer je Theologie studeerde. Bij
hem in elk geval niet. Het bleef oorverdovend stil. Behalve dat ene stemmetje
dat steeds fluisterde: Misschien kun je dit niet.
Zijn telefoon trilde. Een appje in de vriendengroep: Hey
Lucas! Denk je nog aan jouw legendarische stoofpeertjes voor woensdagavond? We
rekenen op je! En je weet, een extra gast is altijd welkom." Lucas zuchtte
diep. Stoofpeertjes, ook dat nog… Om het laatste kon hij wel lachen. Misschien was een boodschap doen inderdaad precies wat hij nodig had. Iets
simpels, concreets. Iets wat níét begon met Luther of eindigde in een
filosofische voetnoot. Hij pakte zijn jas, deed zijn muts op zijn hoofd, blies
een adem vol frustratie uit en stapte naar buiten richting de supermarkt. Het
was koud, heerlijk om even een frisse neus te halen. Met zijn handen in zijn
zakken, liep hij door de sneeuw.
In de supermarkt was het drukker dan hij had gehoopt.
Mensen manoeuvreerden met volle karren langs elkaar, kinderen renden rond en
iemand mopperde over een uitverkocht artikel. Lucas pakte een mandje en ging op
zoek naar de stoofpeertjes. Toen hij een hoek omging, viel zijn blik op een
vrouw die voorovergebogen over een boodschappenlijstje stond. Ze keek op naar
het schap, waardoor hij haar gezicht kon zien.
Sophie.
De schok van herkenning schoot door hem heen. Ze hadden
ooit samen de kinderclub geleid en jeugddiensten voorbereid. Chaotische,
gezellige avonden waarin zij altijd een knutselidee te veel had. Jaren geleden
was ze gestopt, om redenen die hij nooit goed had begrepen, en daarna was het
contact verwaterd. Hij wilde iets zeggen, maar de woorden bleven steken. Ze
zette de verpakking in haar kar en liep richting de kassa. Lucas liep verder,
op zoek naar de stoofpeertjes.
Op weg naar huis knisperde de sneeuw onder zijn schoenen.
Zijn gedachten gingen naar vroeger: de jeugdavonden, de chaotische
voorbereidingen van jeugddiensten, de discussies, haar enthousiasme.
Thuis zette hij zijn boodschappen neer en pakte zijn telefoon. Tot zijn
verrassing stond haar nummer er nog, met een foto waarop ze lachte alsof alles
licht was. Een heel verschil met de vrouw die hij net had gezien. Hij wilde
haar appen, maar zijn duim bleef hangen boven het scherm. Wat moest hij zeggen?
Hij opende Spotify en een van zijn afspeellijsten begon te spelen. Er klonk een
lied met donkere klanken dat zong over hoop die dichtbij was. Weer dacht hij
aan Sophie, aan hoe hoop bij haar leek te ontbreken. Hij wilde appen, iets
kleins. Maar elke zin klonk te direct of juist te vaag. Zijn duim bleef boven
het toetsenbord zweven.
Op dat moment duwde Sophie met haar elleboog de voordeur
open, de boodschappentas bungelend aan haar hand. Kerstoverleving: fase één,
overleefd mompelde ze terwijl ze de tas neerzette. Nu ze thuis was, voelde
ze pas hoe moe ze was. Het werk had haar de afgelopen weken op de been gehouden,
routine, verwachting, doorgaan. Maar zodra ze de stilte van haar huis
binnenstapte, merkte ze hoeveel energie er weg was.
Door het raam zag ze kinderen in de sneeuw spelen. Hun
gelach deed haar even steken van jaloezie. December was ooit vanzelf gezellig
geweest. Nu voelde alles ver weg, alsof de vrolijkheid langs haar heen gleed. Ze zocht haar telefoon in haar jaszak. Net toen ze wilde
gaan zitten, trilde het scherm. Waarschijnlijk werk, dacht ze, tot ze de naam
zag.
Lucas.
Even duurde het voor ze zich hem weer precies herinnerde:
zijn blik, zijn verlegen glimlach. Ze opende het bericht.
Ik zag je net. Weet weet niet hoe het met je is, maar ik hoor nu een lied.
En ik dacht aan jou: Hoop is dichterbij dan je denkt.
Ze las het opnieuw. En nog eens. Vooral dat laatste
zinnetje bleef hangen. Wat moest ze hiermee? Waarom juist vandaag, op een dag
waarop ze zich het liefst had verstopt. Ze liet de telefoon op haar knie rusten, haar duim net
naast het scherm. Het voelde vreemd dat iemand haar gezien had. Echt gezien.
Terwijl zij juist onzichtbaar had willen zijn.
Lucas staarde naar het scherm. De cursor knipperde
ongeduldig, alsof hij hem aanspoorde door te typen. Hij had net een alinea
geschreven voor zijn paper, maar hij vond het niets. Met een zucht wreef hij
over zijn gezicht en zakte achterover. En weer was daar dat stemmetje: zit
ik hier eigenlijk wel op mijn plek? Maar
één andere gedachte bleef ertussen dringen. Sophie had zijn bericht gelezen. Maar nog steeds niet gereageerd.
Hij checkte zijn telefoon. Weer niets.
Toen een ping. Hij schrok overeind, maar het was alleen
de vriendengroep.
"Jongens, ik ben mijn recept kwijt. Iemand een idee?"
Lucas grinnikte. Typisch Jolijn.
Plotseling kwam er een gedachte op. Misschien kon hij
Sophie vragen om morgen mee te gaan. Of was dat vreemd? Ze had immers nog niet
gereageerd. Misschien wilde ze dat ook niet.
Toch voelde hij dat hij het moest proberen. Hij opende hun gesprek. Zijn hart bonsde.
Zou je woensdagavond mee willen? Ik ga naar Jolijn en Wessel. Niets
verplichts. Gezelligheid en eten. Je bent welkom. Hij drukte op verzenden. En toen gebeurde er niets. Precies zoals daarvoor. Studeren lukte ook niet meer. Hij stond op, liep naar het
raam en keek naar de sneeuw die neerviel.
Ook Sophie keek vanaf de bank naar de vallende sneeuw. Het
eerste appje van Lucas had iets in haar losgemaakt. Het had haar de hele middag
bezig gehouden. En nu kreeg ze nog een bericht. Haar eerste reactie was om het weg te leggen. Ze voelde
zich te moe, ze wist niet of ze wel zin had in een avond met onbekende mensen.
Maar er was ook iets anders. Iets wat ze niet had verwacht: Een sprankje. Het kleinste lichtpuntje dat in maanden door haar heen was
gegaan.
Ze bleef staren naar de sneeuw buiten. Misschien moest ze
dit wél doen. Misschien was dit precies wat ze nodig had. Iemand die haar had
gezien. Zonder masker. Zonder druk. Gewoon… gezien. Ze pakte haar telefoon. Haar vingers trilden een beetje. Ja.
Ik kom graag. En… dank je. Voor je bericht. Het raakte me meer dan je denkt.
Die woensdagavond drukte Lucas op de deurbel van het huis
van Wessel en Jolijn. Een kleine, nerveuze spanning trilde door zijn lijf.
Naast hem stond Sophie. Haar adem vormde kleine wolkjes in de koude lucht.
"Je hoeft je echt geen zorgen te maken," zei Lucas zacht.
"Jolijn en Wessel… hun huis is een soort open huiskamer. En die andere
vrienden, ze zijn misschien een beetje druk en chaotisch, maar heel lief."
"Dat is een geruststelling," zei Sophie met een schuin
lachje.
De deur vloog open.
"Lucas!" riep Jolijn meteen. "En… wauw, jij hebt iemand meegenomen! Kom
binnen!"
Ze liepen de woonkamer in en daar zat de rest van de
vriendengroep al aan tafel. De gesprekken vielen heel even stil, maar al snel
begon iedereen tegelijk te praten.
"Hey, een nieuw gezicht!"
"Gezellig dat je er bent!"
"Je zit niet vast aan Lucas hoor, kies vooral een plek die je bevalt!"
Ze gingen met z'n allen aan tafel. Er werd gelachen om
mislukte stoofperenpogingen van voorgaande jaren, om colleges die niemand had
voorbereid, en om Wessel die zijn fietssleutel was verloren in de sneeuwpop. Sophie keek af en toe naar Lucas. Beiden voelden ze dat
goed was om niet alleen te zijn.
Jolijn vulde Sophies glas bij. "Ik ben echt blij dat je
er bent," zei ze oprecht. "Lucas neemt niet zo vaak iemand mee. Maar hij heeft
blijkbaar een goede smaak." Bij dat laatste schoot Lucas rood aan. Sophie glimlachte.
Later op de avond, toen de tafel vol lege borden stond en
de kaarsen bijna op waren, viel het gesprek vanzelf stil. Wessel schoof de
schaal met restjes naar het midden. "Ik denk dat we genoeg hebben gegeten voor
drie dagen."
"En dan moeten de kerstdagen nog beginnen," mompelde David.
Sophie wreef met haar vingers langs haar glas. Ze keek
even naar Lucas en daarna naar de kaars op tafel. "Mag ik iets vragen?" zei ze
zacht.
Jolijn knikte meteen bemoedigend. "Natuurlijk."
Sophie haalde adem. "Hoe doen jullie dat… hoop houden?
Als de wereld soms zo'n rotzooi lijkt. En… als het in je eigen hoofd soms ook
donker is?"
Iedereen was ineens stil. Alsof iedereen die vraag ergens
herkende. Lucas keek naar de kaars voor hem. De vlam bewoog
lichtjes, maar doofde niet.
"Ik dacht altijd," begon hij langzaam, "dat geloven betekende dat ik het licht
stevig moest vasthouden. Dat ík het moest snappen, dat ík het moest blijven
voelen."
Hij pauzeerde.
Jolijn, die net een schaal naar de keuken wilde brengen, bleef staan en draaide
zich naar hem toe.
"Maar de afgelopen dagen…" Lucas zocht naar woorden. "Ik
ben gaan beseffen dat het misschien andersom werkt. Dat geloven soms betekent
dat je mag vertrouwen dat het Licht jóu vasthoudt. Zelfs als jij het niet ziet.
Zelfs als het alleen maar donker lijkt."
"Daar herken ik veel in," zei Jolijn rustig. "Dat is
precies waar het in de adventsverhalen om gaat," zei ze. "God begint niet in
het perfecte, maar in het kwetsbare. In een stal. In mensen die zoeken." Lucas glimlachte dankbaar naar haar, alsof ze woorden gaf
aan wat al in hem leefde.
"Misschien," vervolgde hij, "is mijn roeping niet om
degene te zijn die alles begrijpt. Maar iemand die onderweg is. Een reisgenoot.
Iemand die wankelt, maar toch blijft gaan."
Jolijn zette de schaal op tafel en richtte zich naar
Lucas.
"Toen ik predikant werd, dacht ik ook dat ik het licht moest vasthouden. Of
erger: dat ík het moest uitstralen, altijd, voor iedereen." Ze glimlachte even
om zichzelf.
"Maar dat houd je niet vol. Wat ik heb moeten leren, is dat mijn roeping niet
begint bij wat ík vasthoud… maar bij Wie mij vasthoudt. Hij die mij geroepen
heeft, laat mij niet los. Ook niet als ik Hem niet zie, of niet weet waar het
heen gaat. Dat besef geeft ademruimte."
Lucas keek haar aan, zichtbaar geraakt door haar woorden.
"Dank je," zei hij, bijna verbaasd over hoe veel het hem deed. "Het… het helpt
echt om dat zo te horen. Soms voelt het alsof ik faal als ik Hem niet duidelijk
zie. Maar jouw woorden maakt het idee van een reisgenoot zijn… eigenlijk alleen
maar mooier," vervolgde hij. "Omdat Hij dan óók meeloopt. Niet pas als ik het
snap, maar juist onderweg."
"Een God die niet wacht tot ik er weer ben," zei Sophie
zacht. "Maar die al bij me is, ook als het nog donker is."
Lucas knikte.
Toen Lucas die avond door de sneeuw naar huis liep, voelde hij een rust die hij lang had gemist. Niet omdat alles was opgelost, de tentamens wachtten nog, zijn paper ook, maar de druk in hem leek minder. Hij had Sophie thuisgebracht, haar even laten weten dat ze niet alleen was, en dat gebaar werkte nog in hem door.
Thuis schoof hij zijn studieboeken opzij en opende zijn
Bijbel. Zijn blik bleef hangen bij de woorden uit Jesaja: Het volk dat in duisternis wandelt, zal een groot
licht zien. Hij las het hardop, alsof de woorden voor hem bedoeld
waren. Zijn twijfel voelde ineens niet meer als een teken dat
hij faalde, maar als een plek waar je mag zijn. Een plek waar iemand die
wankelt een ander die wankelt kan ontmoeten. Zoals vanavond.
Buiten dwarrelde nog steeds de sneeuw langzaam naar
beneden. En voor het eerst in weken voelde Lucas dat de oorverdovende stilte in
hem een stukje minder werd. Niet omdat hij zijn roeping nu helder voor zich
zag. Maar omdat zoeken lichter werd, nu hij het niet meer alleen hoefde te
doen. En ergens wist: Het Licht was niet verdwenen. Het was gekomen, precies
zoals beloofd, midden in de kwetsbaarheid. Hoop is dichtbij!

